Maaien of niet maaien, dat is de vraag.

Steeds luider klinkt de roep om minder te maaien. Voor de natuur, voor de insecten en uiteindelijk dus voor de mens. Er wordt te veel gemaaid, is het algemene geluid uit de groene hoek. Het lijkt inmiddels wel, dat hoe natuurlievender je bent, hoe minder je maait. Want na maaien hebben de insecten niets meer te eten en kunnen planten geen zaad meer zetten, is de achterliggende gedachte. Op zich klopt dat en plaatselijk kan ook minder gemaaid worden, maar lang niet overal!

Dat maaien gebeurt namelijk niet voor niets! Het voorkomt verbossing en verruiging of vergrassing. Minder maaien dan gebruikelijk, verandert de vegetatie en dat hoeft helemaal niet ten goede te zijn. Ruige, snelgroeiende soorten en juist grassen kunnen de overhand krijgen. Op termijn verdwijnen daardoor de kruiden en daarmee ook veel insecten.

In eerste instantie profiteren insecten inderdaad van het uitgesteld maaien, maar in de tweede fase verdwijnen juist de meer kritische soorten planten en dieren. Soorten die zijn gebonden aan een meer open vegetatie, warm microklimaat en/of kale bodem verdwijnen als eerste. Dat is niet altijd heel zichtbaar, want algemene soorten nemen in deze fase (mogelijk) nog wel toe. De bloemrijkdom van de (hoge en dichte) vegetatie valt op en algemene soorten insecten die niet zo kritisch zijn profiteren. Na enige tijd minder maaien verandert echter de vegetatie verder richting ruigte en die hoeft helemaal niet gevarieerd te zijn. Dat kan zelfs voor de algemene soorten ongunstig zijn. Maar wie durft weer meer te gaan maaien?

Zonder maaien verruiging

Maaien is hard nodig om te verschralen, de vegetatiestructuur open te houden en een dikke strooisellaag te voorkomen. Daar hebben ook insecten veel baat bij, juist de meer kritische! Na het maaien hebben ze ‘even’ een kaal stuk, maar op de lange termijn houdt maaien een gevarieerde en bloemrijke vegetatie in stand. Zeker met de stikstofdepositie en andere vermestingsbronnen van deze tijd, moet op veel plekken juist eerder méér gemaaid worden, dan minder.

Bij deze dan ook de conclusie; er wordt niet persé te veel gemaaid, maar eerder verkeerd gemaaid! Alleen onder écht voedselarme en kruidenrijke situaties is beperkt maaien (1x per jaar, laat in het jaar) een optie. In vrijwel alle andere situaties moet één of twee keer in het groeiseizoen gemaaid worden om voldoende voedingsstoffen af te voeren (uiterlijk half september).  Per situatie moet goed gekeken worden hoe veel maaironden nodig zijn. Bij veel vegetaties zal er moeten worden gemaaid, ook in de periode mei tot september. Ook de maaidatum doet veel en moet goed gekozen worden. Is de vegetatie eind mei relatief kruidenarm en hoog; dan vroeg maaien.

Gefaseerd maaien

Dit kan wel het beste gefaseerd gebeuren, zodat er voor fauna altijd overstaande vegetatie beschikbaar is. De ultieme manier daarvan is het sinus-maaien, waar nu veel mee wordt proefgedraaid. Niettemin bestaat ook bij gefaseerd maaien het risico dat de vegetatiesamenstelling en structuur verandert (lees verruigt/vergrast), wat juist voor de meest kritische fauna wellicht problemen op kan leveren. Tip is om bij mooie vegetaties ongeveer de helft zoals gebruikelijk te blijven maaien en op de andere helft fasering toe te passen. Dan is er voor ieder wat wils.

Altijd afvoeren

Klepelbeheer of ander beheer waarbij maaisel blijft liggen is natuurlijk altijd negatief voor de natuurwaarde en dus ook voor de insecten. Verruiging en vervilting zijn daarbij de voornaamste knelpunten. Maar een beheer van maaien en afvoeren moet dus vooral doordacht gebeuren, niet te intensief, maar ook niet te extensief. Dit hangt af van de situatie en een vinger aan de pols houden is cruciaal.

Kortom, maaien is maatwerk!  In zijn algemeenheid overal minder maaien is niet de juiste weg. Dat doet de kritische soorten als eerste de das om. Maar wie heeft dat door?

Karin Albers, Naturio.